Geschiedenis van de Edelmanboor

(S. v.d. Schaaf, boekje Grondboorkampioenschap 2000)

NSK Het basisgereedschap dat bij het grondboorkampioenschap wordt gebruikt, staat bekend onder de naam Edelmanboor. Dat suggereert, dat de betreffende boor is uitgevonden door prof. Edelman. Deze was van 1933 tot aan zijn overlijden in 1964 hoogleraar was aan de toenmalige Landbouwhogeschool in Wageningen; aanvankelijk in de mineralogie, petrologie, geologie en agrogeologie en later in de regionale bodemkunde. Het verhaal achter de boor blijkt gecompliceerder, anders en eigenlijk veel leuker dan ik zelf dacht. Nadat mij was gevraagd iets over de boor te schrijven, bedacht ik dat het verstandig zou zijn om contact op te nemen met ir. K.J. Hoeksema, gepensioneerd medewerker van de vakgroep Bodemkunde en Geologie en onder oud-collega's en vele afgestudeerden bekend als wandelende encyclopedie. Toen ik twee minuten met hem aan de telefoon had gezeten, wist ik dat dit telefoontje een schot in de roos was.

Het verhaal begint in de Tweede Wereldoorlog. In die tijd konden universitair personeel en studenten kiezen tussen het tekenen van een loyaliteitsverklaring aan de bezetter of dwangarbeid verrichten in Duitsland. Velen deden geen van beide en doken onder. Een in hoofdzaak 'Wageningse' groep, waaronder Edelman en Hoeksema, kwam zo in de Bommelerwaard terecht. Daar werd de bodem bestudeerd en in kaart gebracht.

Ervaring met technieken om op een redelijk snelle manier de bodem tot op een behoorlijke diepte te bestuderen was er niet. W.A.J. Oosting, die in 1942 overleed, gebruikte een schop en groef daarmee kleine kuiltjes.
Deze techniek gaf snel een uitstekend beeld van de bovenste 30-40 cm, voor grotere diepten was ze echter -zacht uitgedrukt- onhandig. W.C. Visser, de latere directeur van het Instituut voor Cultuurtechniek en Waterhuishouding, een van de voorlopers van het huidige Alterra, gebruikte een boor van 12 cm diameter met kleppen. Deze leverde monsters met relatief weinig verstoring, maar draaide door de grote diameter moeilijk en was ook lastig te legen. Hoeksema: "Ik heb dat ding nog in m'n kelder staan. Na de oorlog wilde niemand 'm hebben".

Nu wilde het toeval dat Hoeksema's vader die in Groningen woonde, grondboren importeerde van de firma Jasmun uit Hamburg. Die werden -met verlengstukken- onder andere geleverd aan de PTT, die ze gebruikte om horizontale gaten onder wegen e.d. te boren voor het leggen van kabels. Zo kon veel opbreekwerk van wegen worden voorkomen. Hoeksema liet een stang op een Jasmun-boorkop zetten. De diameter van deze kop was 5 cm. Vanwege de kleine diameter werd het ding enigszins spottend "het capillairtje" genoemd. Deze boor, die eigenlijk alleen ontworpen was om gaten te maken en niet zozeer om een redelijk herkenbaar monster naar boven te brengen, voldeed om die reden uiteindelijk toch niet. Een ander lid van de Bommelerwaard-groep, H. Egberts, probeerde vervolgens een boor te construeren, waarmee redelijk snel kon worden gewerkt en die toch een monster naar boven kon brengen waaraan van de oorspronkelijke opbouw van de grond nog voldoende te herkennen was. Het moest een compromis worden tussen de snelheid van het Hoeksema-"capillairtje" en de goede monsterkwaliteit die met de schop van Oosting en de 12 cm-boor van Visser te bereiken was.

Er werd geëxperimenteerd met verschillende soorten boren en de Edelmanboor kreeg in die periode de vorm die hij nog steeds heeft. Toen al werd de uitvoering aangepast aan de grondsoort: smalle "wangen" voor klei, brede voor zand. Om die boren te maken, was een smid nodig. Aanvankelijk was dat er één in de Bommelerwaard, maar die bakte er volgens Hoeksema weinig van. Egberts, die uit Arnhem kwam, vond echter in Lathum, dat daar niet zo ver vandaan ligt, een dorpssmederijtje dat het wèl bleek te kunnen. De naam van de smid was Eijkelkamp. Na de oorlog groeide de dorpssmederij uit tot de Grondborenfabriek Eijkelkamp. Nog later, in 1981, verhuisde het bedrijf naar het nabijgelegen Giesbeek en ontwikkelde zich daar tot wat we nu kennen als Eijkelkamp Soil & Water.

Dit is in het kort het verhaal van het ontstaan van de Edelmanboor die misschien meer terecht Egbertsboor had moeten heten en de onverbrekelijk daarmee verbonden ontwikkeling van het bedrijf dat de boor nog steeds produceert.